Kom, kom, wie je ook bent, ongelovige, dienaar van vele goden, vuuraanbidder, kom toch!

September 18th, 2009

Diegene die is een keer een bijeenkomst van ons wil bijwonen is welkom. Als je wilt komen wil je dan alsjeblieft een e-mail sturen naar ons over de reden waarom je wilt langs komen. Stuur je e-mail naar: hamzaibnuthman@live.nl

Uiteraard is het gratis. Binnenkort is er ook een vrouwengroep actief bij ons!

September 18th, 2009

Wat is Islam? Door deze film te bekijken kan men een beeld vormen van Islam. Deze film is goedgekeurd door de Islamitische Universiteit van Al Hazar in Cairo.

Islam part 1

Islam part 2

Islam part 3

Islam part 4

September 18th, 2009

Zo was er eens een derwisj die verdwaald was in een uitgestrekte wildernis. Hij was aan het einde van zijn leeftocht en zijn krachten, maar hij bezat nog een paar geldstukken. Lange tijd zwierf hij rond zonder ergens uit te komen. Ten slotte kwam hij om. Toen ze hem vonden zagen ze dat hij het geld voor zich had neergelegd en in het zand had geschreven:

Al heeft men goud van ’t allerhoogst’ karaat,
wie zonder voedsel is zal niet lang leven.
De arme man, in de woestijn verdoold,
wil alles voor gestoofde rapen geven.

Nooit heb ik geklaagd over de gang van het lot, noch heb ik de wenkbrauwen gefronst over de wisselvalligheid van de fortuin, behalve één keer, toen ik barrevoets ging en niet aan schoenen kon komen. Met een bedrukt gemoed liep ik de vrijdagsmoskee van Koefa binnen. Daar zag ik iemand die geen voeten had. Ik uitte mijn dank jegens God, de Verhevene, en verdroeg geduldig mijn gebrek aan schoeisel.

Als je verzadigd ben, is de gebraden vogel
minder dan een groen blaadje bij de dis.
Maar wacht maar tot je alles moet ontberen,
als koolraap je gebraden vogel is.

Tijdens een winterse jachtpartij was een koning met een groep hovelingen ver buiten het bewoonde gebied geraakt. Bij het vallen van de nacht zagen ze het huis van een boer. De koning zei: ‘Laten we daar de nacht doorbrengen, dan zullen we geen problemen hebben.’ Een van zijn ministers merkte op:  ‘Het geeft toch geen pas dat een vorst zijn toevlucht zoekt in een boerenwoning. Laten we hier de tent neerzetten en een vuur maken.’ Zo deden ze. Toen de boer hiervan hoorde, bereidde hij wat hij bij de hand had en ging het aanbieden. Hij kuste de grond en zei: ‘Het hoge aanzien van de koning zou niet zijn gedaald, maar zij wilden niet dat het aanzien van een boer zou stijgen.’ Deze woorden bevielen de koning wel en nog diezelfde nacht trokken zij bij hem in. ’s Ochtends liet de koning hem een eremantel en geschenken geven. De boer liep een stukje mee aan stijgbeugel van koning en zei:

‘Uw eer en glans, mijn koning, bleef intact
toen u gast werd van een kleine man.
Maar tot de zon verheft zich nu diens trots
dat hij zich in uw schaduw koesteren kan. ‘

Van een beruchte bedelaar wordt verteld dat hij onmetelijke rijkdom had vergaard. Een vorst die hiervan had gehoord zei tegen hem: ‘Men heeft mij laten weten dat je over onbeperkte middelen beschikt. Ik ben in een belangrijke zaak verwikkeld. Als je mij steunt met een deel van je geld, dal dat met dank worden terugbetaald zodra het wat heeft opgebracht.’ De man zei:  ‘Heerser over de aarde, hoe kan het in overeenstemming zijn met de eer van een grote sultan dat hij de hand die naar hogere dingen streeft, bezoedelt met het bezit van iemand als ik, een bedelaar die het beetje voor beetje bij elkaar heeft geschooid? Het antwoord luidde: ‘O, dat geeft niets! Ik geef het toch maar aan de Tataren. Zoals er geschreven staat: ‘Slechte vrouwen behoren bij slechte mannen.’

Bij christenen is het water wel onrein,
maar goed genoeg om joden mee te wassen.
De ongebluste kalk noemt men onrein;
toch dicht ’t goed de scheuren in het toilet.

Ik hoorde dat de man dit Koninklijke bevel probeerde te omzeilen met uitvluchten en brutale argumenten, totdat de koning hem het verlangde bedrag met geweld en boze woorden liet afpakken.

Wanneer het niet met zachte handen lukt,
wordt het door harde knuisten weggerukt.
Als je te weinig aan je eigen hachje denkt,
denk niet dat iemand anders aandacht schenkt.

Ik kwam eens een koopman tegen die honderdvijftig kameellasten aan goederen bezat en veertig slaven en dienaren. Op een nacht, toen wij op het eiland Kiesj in de Perzische Golf waren, nam hij mij mee naar zijn logement. De hele nacht deed hij geen oog dicht. Hij praatte maar door, over van alles en nog wat: over een compagnon die in Turkestan was, over bepaalde koopwaar die bestemd was voor Indië, over het contact voor de aankoop van een stuk land of over een zekere som die hij aan iemand had toevertrouwd. Het ene moment vertelde hij: ‘Ik herinner me Alexandrië, wat een heerlijk klimaat!’ Dan weer: ‘Nee, maar de zee in het westen was roerig! Saadi, ik moet nog één keer op pad. Als ik die reis heb gemaakt, trek ik me voor de rest van mijn leven in een hoekje terug.’ Ik vroeg: ‘Wat voor reis? – ‘Ik wil Perzisch zwavel naar China brengen, want ik heb gehoord dat het daar veel geld opbrengt. Vandaar neem ik Chinees vaatwerk mee naar Klein-Azie en dan Grieks brokaat naar Indie, Indisch staal naar Aleppo, glas uit Aleppo naar Jemen en gestreepte Jemenitische stoffen naar Fars. Daarna stop ik met de hand en open ik een winkel.’ Werkelijk, hij putte zich zolang uit in hersenspinsels totdat het spreken hem bijna onmogelijk werd. Ten slotte zei hij: ‘Kom, Saadi, vertel jij ook een over wat je gezien en gehoord hebt!’ Ik zei:

‘Een reizend koopman viel, zoals ik hoorde,
in ’t zand van de woestijn dood van zijn paard.
Zijn oog, door heel de wereld niet gevuld,
had met dat dorre zand genoeg vergaard.’

Er was eens een rijkaard die net zo bekendstond om zijn gierigheid als Hatem Ta’i om zijn vrijgevigheid. Aan de buitenkant leek het of hij alle weelde van de wereld tot zijn beschikking had, maar innerlijk was hij vervuld van een schraperige vrekkigheid, zozeer dat hij voor geen levende ziel een stuk brood overhad. Zelfs voor de kat van Aboe Horaira zou hij geen brokje kunnen missen, en hij zou de hond van de zevenslapers nooit een bot hebben toegeworpen. Kortom, voor niemand ging de deur van zijn huis open of stond zijn tafel ooit gedekt.

De armen moesten zich met kookgeur voeden;
zelfs kruimels liet hij voor de vogels hoeden.

Op een keer, zo hoorde ik, bevond hij zich op de Middellandse Zee. Hij was op weg naar Egypte en voelde zich als farao, ‘toen de verdrinkingsdood hem bedreigde’. Het schip kreeg te kampen met een ongunstige wind.

Wat moet mijn hart dat zich bij jou niet wel bevindt?
Geen schip kan altijd koersen bij een goede wind!
Hij hief de handen in gebed omhoog en smeekte tevergeefs om hulp. ‘En als zij zich inschepen, bidden zij tot God als oprechte gelovigen.’

De hand die zich in nood, God smekend, uitstrekt,
ontvangt niets als hij zelf nooit hulp verstrekt.

Wie met zijn goud en zilver noden lenigt,
is bij die gulheid zelf het meest gebaat.
Een gouden steen, een zilveren steen daarna:
zo bouw je het huis dat je de wereld laat.

 Naar verteld wordt had hij arme verwanten in Egypte, die nadat hij verongelukt was, vermogend werden door het geld wat hij naliet. Dankzij zijn dood konden ze hun oude kleren verscheuren en nieuwe laten snijden van zijde en Damiatisch satijn. Nog geen week later zag ik een van hen rondrijden op een paard dat snel was als de wind en met een slaaf die achter hem aan rende.

O, als de dode terug zou keren
bij bloedverwant en huisgenoot;
de erfenis hem terug te geven
verdroot hen veel meer dan zijn dood.

Ik ken de hem al jaren. Dus trok ik hem aan zijn mouw en zei:

‘Geniet ervan, mijn beste vriend:
hem heeft het geld tot niets gediend.’

Er was eens een visser die niet zo sterk was, zo hoorde ik. Hij ving een flinke vis in zijn net, maar miste de kracht om hem binnen te halen. De vis werd hem de baas en hij moest het net uit zijn handen laten glippen.

Een slaaf ging eens wat water halen;
de stroom was sterk en nam hem mee.
Het net dat zoveel had gevangen,
ging dit keer met de vissen mee.

De andere vissers vonden dit zonde en verweten hem dat hij de mooie buit die hij gevangen had, had laten schieten. Hij zei:  ‘Wat kon ik eraan doen? Het lot wil hem niet aan mij kwijt en geeft de vis een dag respijt.’ De Tigris levert niets op als het geluk je is ontnomen; geen vis sterft op het droge als zijn tijd niet is gekomen.

 Iemand wiens handen en voeten waren afgehakt, sloeg  een duizendpoot dood. Een wijs man die toevallig langsliep, merkte op: ‘God zij geprezen! Geen duizend poten stelden hem in staat te ontsnappen aan iemand zonder handen en voeten toen het uur van zijn dood had geslagen. ‘

Het uur van sterven houdt de snelle loper tegen
zodra hij die hem doden zal verschijnt.
De vijand heeft hem ingehaald; zie hoe de kracht
de koningsboog te spannen snel verdwijnt.

 Ik heb eens ene welgedane, domme man ontmoet. Hij droeg een kostbare eremantel, een hoofddeksel van Egyptisch linnen en reed op een Arabisch paard terwijl een slaaf achter hem aan rende. Iemand zei:  ‘Saadi, wat vind je daarvan: zulk uitgelezen brokaat op een wezen dat nog geen letter kan lezen? Ik zei: ‘Het is een slechte regel die met goudverf is geschreven!’

‘Een ezel kan men als een mens verkleden;
zo werd ook eens het loeiend kalf aanbeden.’

Zoals men wel zegt: een fraai gelaat is meer dan duizend gewaden waard.

Wat is nog menselijk aan zo’n creatuur?
Hoogstens de buitenkant: de mantel en de tulband.

Blijf af van al zijn geld, zijn kostbaar goed;
alleen zijn leven neem je wettig uit zijn hand.

De nobele, wat hem ook mag ontvallen,
zijn waardigheid blijft zoals je haar ziet.
Maar slaat een jood zijn zilveren dorpel vast
met gouden spijkers, nobel wordt hij niet.
Een dief zei tegen een bedelaar: ‘Schaam je je niet dat je voor iedere schobbejak je hand op moet houden omwille van een paar stukjes zilver? Hij antwoordde:

 

‘Beter de hand voor weinig uitgestrekt,
dan voor een kruimeldiefstal afgehakt.’

September 13th, 2009

Tijdens een jaar van droogte in Alexandrië waren de armen aan het einde van hun krachten gekomen. De hemelpoorten bleven gesloten boven de aarde. De hulproep van de aardbewoners steeg ten hemel.

Geen dier was er, geen vogel, geen vis of mier,
of het riep de hemelen aan in diepste nood.
Verwonderlijk, dat al dat zuchten, al die tranen
geen wolken schiepen, geen watersnood!

In zo’n jaar was er een verwijfde man – God zij dank, niet iemand van onze vrienden. Ik kan hem niet goed met fatsoen beschrijven, zeker niet in voornaam gezelschap, maar het is ook niet mogelijk dat helemaal achterwege te laten, want sommigen zouden dat toeschrijven aan de onmacht van de spreker. Ik laat het maar bij deze twee versregels, want het weinige kan naar het vele verwijzen, en een handvol naar een grote hoeveelheid:

Zou een Tataar zo’n smeerlap doden,
diens dood werd niet als wraak verlangd.
Te vaak was hij als Bagdads brug,
die manbedekt over het water hangt.

Een dergelijk type, hier met een enkel woord aangeduid, bezat in dat jaar een groot vermogen. Hij gaf zilver en goud aan de misdeelde en voor reizigers stond zijn tafel altijd gedekt. Een groep derwisjen die bijna bezweek aan de ontberingen, stond op het punt een beroep op hem te doen. Ze vroegen mij of ik het goed vond, maar ik zei afkeurend:

‘Een leeuw eet nooit wat honden laten liggen,
maar sterft liever ellendig in zijn hol.
Bedel nooit bij een man van laag allooi,
houd dit ook bij de ergste honger vol.
Zelfs bij een vorst die rijk en machtig is,
speelt dit, als hij niet deugt, geen enkele rol:
zoals een kale muur met goud bekleed
blijft hij in zijden kleren toch een prol.’

Aan Hatem Ta’i werd de vraag gesteld of hij ooit iemand had ontmoet die nobelere bedoelingen had dan hijzelf, danwel gehoord had dat er ergens ter wereld zo iemand was. Hij zei: ‘Jawel. Op een dag had ik veertig kamelen geslacht voor de vorsten van de Arabieren. Zelf moest ik op pad, naar een uithoek van de woestijn. Ik kwam een sprokkelaar tegen die een bundeltje brandhout had verzameld. Ik zei: ‘Waarom laat je je niet een onthalen door Hatem? Er zit een groot gezelschap aan zijn tafel.’ De man antwoordde:

‘Wie ’t brood verdienen kan met eigen vlijt,
staat liever niet bij Hatem in het krijt.’

Ik vond dat hij een nobeler mens was dan ik’

Mozes zag hoe een arme man zijn naaktheid moest verbergen onder het zand. Hij smeekte God de man wat rijkdom te schenken. Een paar dagen later zag hij hem terug als een gevangene omringd door een grote mensenmenigte. Hij vroeg wat er aan de hand was, en men zei : ‘Hij heeft wijn gedronken en ruzie gemaakt, en toen heeft hij iemand vermoord voor wie ze nu bloedwraak nemen.’ Zoals scherpzinnige lieden hebben opgemerkt:

Ach, als de arme kat toch vleugels had:
geen mus die veilig op zijn nestje zat!
Geef de zwakke hond voldoende kracht,
geen andere hand behoudt zijn macht.

Als God Zijn dienaren gul zou bedelen, zou het land zuchten onder hun wandaden.
Mozes erkende de wijsheid van de boven alles verheven Heer en vroeg vergeving voor zijn ongepastheid.

Wie laat zich zo door gevaar bedriegen?
Je zult vergaan, als mieren die gaan vliegen.
Wie eer en geld verwierf, maar het niet waard was,
verbaas je niet dat hem geen pijn bespaard werd.
De wijzen hebben terecht zo uitgedrukt:
de mier die vliegt, verspeelt al wat vergaard werd.
De vader bezit honing in overvloed, maar zijn zoon heeft een warme natuur.
Hij die je dwarsboomt als je rijkdom zoekt,
is iemand die het beste met je voorheeft.

Een bedoeïen die ik aantrof bij de juweliers van Basra vertelde: ‘Op een keer was ik in de woestijn de weg kwijtgeraakt. Ik niet één stukje proviand bij me en was op het ergste voorbereid, toen ik opeens een beurs vond gevuld met parels. Nooit zal ik die begeerte en die vreugde vergeten – ik dacht namelijk dat het geroosterde tarwe was – noch de bittere teleurstelling en de wanhoop toen ik besefte dat het parels waren.’

Wat is een schelp met parel waard voor hem
die dorst lijdt in het zand van de woestijn?
Ben je berooid en uitgeput ineengestort,
een beurs vol goud zal je geen uitkomst zijn.

Een Arabier riep uit, terwijl hij van dorst versmachtte in de woestijn:

‘Mocht voor ik sterf het lot mij dit nog schenken:
knielende bij een beek mij kruik vol schenken.’

September 10th, 2009

Een vorst keek vol minachting naar een groep derwisjen. Een van hen, die een scherp oog hiervoor had, bemerkte dit en zei: ‘Sire, in deze wereld tellen wij minder maar genieten we meer, in de dood zijn we gelijk, maar bij de Opstandiging zijn wij beter af, als God het wil!’
 
Heersen over een machtig koninkrijk,
of bedelen om brood, het is gelijk:
wanneer het uur van afscheid is gekomen,
kan slechts een doodskleed worden meegenomen.
Je leeft, als weldra het vetrek zal zijn,
in lompen lichten dan in hermelijn.
 
Aan de buitenkant onderscheidt de derwisj zich door gescheurde kleren en afgeschoren haar. Waar het werkelijk om gaat is een hart dat leeft en een ziel die gestorven is.
 
Hij zal zich niet verheffen voor de mensen;
weerloos laat hij zijn vijanden begaan.
Een rots die als een molensteen omlaag rolt:
de mysticus zal hem niet uit de weg gaan.
 
Het pad van de derwisjen bestaat uit het noemen van Gods naam, uit dankzegging, dienstbetoon, gehoorzaamheid en lijdzaamheidm uit geloof in de Ene God en overgave aan Hem, en uit dulden wat Hij wil. Iedereen op wie dit werkelijk van toepassing is, is een derwisj, ook al draagt hij een deftige jas. Maar een praatjesmaker die zijn gebeden achterwege laat en zijn luimen en lusten achternaloopt, die al zijn dagen in van zijn begeerte is en al zijn nachten verdoet in de slaap van zijn onverschilligheid, die alles eet wat hij krijgen kan en alles zegt wat voor zijn mond komt, die deugt niet, ook al loopt hij rond in de wollen pij van een derwisj.
 
Je innerlijke bleek van geloof ontdaan,
hoe heilig ook de buitenkant toescheen.
Hang niet de gordijnen op in zeven kleuren,
je hebt in huis een vale mat alleen.
 
Ik zag wat rozen pas ontloken,
hun bloemen uit het gras gestoken,
en merkte op: ‘Dit nietig gras
komt in zo’n ruiker niet van pas.’
Het gras weersprak mij huilend: ‘Stil!
Hier zegt men niet wat men maar wil.
Ik ben niet mooi, heb noch kleur noch geur,
toch wijst de roos mij niet de deur.
Een edel hof nam mij tot dienaar,
schonk mij zijn gunsten jaar op jaar.
Wat ook mijn kwaliteiten zijn,
mijn loon verschaft de Soeverein.
Enig bezit kan ik niet noemen,
noch mij op dienstbetoon beroemen.
De vorst zal voor zijn dienaar zorgen
als hij zich niet kan redden morgen.
Een heer schenkt volgens zede en recht
de vrijheid aan zijn bejaarde knecht.
O Meester Die de wereld voortbracht,
vergeef de oude slaaf die wacht.
Streef, Saadi, naar Zijn welbehagen;
laat niet af naar Zijn weg te vragen!
Verloren wie Zijn poort niet ziet:
een andere ingang vindt hij niet.’
 
 
Aan een wijs man werd gevraagd wat beter is: vrijgevigheid of dapperheid. Hij antwoordde: ‘Wie vrijgevig is hoeft niet dapper te zijn.’
 
De gulle Hatem stierf; de mensen zijn
nog altijd door zijn weldaden geboeid.
Geef wat gevraagd wordt, want de wijnstok
geeft meer wijn als hij wordt gesnoeid.
 
Op het graf van Bahraam Goer staat deze spreuk: ‘Beter een gulle hand dan sterke armen.’ 
 
Op de stoffenmarkt in Aleppo liep een bedelaar uit Noord-Afrika rond die zei: ‘Jullie rijke heren! Als jullie eerlijk deelden en wij tevreden waren, was het gebedel gauw de wereld uit.’
 
Onthouding, schenk mij uw fortuin,
want rijkdom vind ik elders niet.
Lokmaan wist al dat slechts geduld
de toegang tot de wijsheid biedt.
 
Er waren eens twee vorstenzonen in Egypte. De een legde zich toe op de wetenschap en de ander verwierf bezit. Ten slotte werd de eerste de grootste geleerde van zijn tijd, en de tweede de belangrijkste staatsman van Egypte. Op een keer keek de rijke broer vol minachting naar de arme wetgeleerde en zei: ‘Ik heb de heerschappij bemachtigd, hij is nog zo’n pauper als vroeger. De andere zei: ‘Beste broer, ik ben de Schepper meer dan verschuldigd dan jij, want ik kreeg het erfdeel van de profeten, de wetenschap. Jij bent als heerser van Egypte de erfgenaam geworden van Farao en Haman.
 
Ik ben een mier, bedreigd door elke voet,
geen bij, wiens steek je mijden moet.
Toch moet ik eeuwig dankbaar zijn:
geen mens lijdt door mijn zwakte pijn.’

September 10th, 2009

Ik hoorde dat er een derwisj was die brandde in een hel van armoede en die zijn lompenkleed met andere lompen moest verstellen. Om zijn gedachten tot rust te brengen zei hij deze versregel op:
 
‘Een droog stuk brood en deze schamele pij
houden mij van de gunst van anderen vrij.’
 
Iemand moedigde hem aan het er niet bij te laten zitten: ‘In deze stad woont iemand met een goed hart en een gulle inborst. Hij staat altijd klaar om mensen die willen versterven te ondersteunen en hun lot te verzachten. Als hij hoort hoe jij eraan toe bent, zal hij het als zijn plicht beschouwen, en als een goede gelegenheid, iets voor zo’n bijzonder mens te doen.’ De derwisj zei: ‘Houd op! Nog liever ga ik van de honger dood dan dat ik hulp zoek in nood.’
 
Je pij oplappen en geduldig zijn, is beter
dan bedelbrieven schrijven aan de rijken.
Geen hellestraf is erger dan je buurman
in hemels welzijn naar de ogen kijken.
 
 
 
 
Een Perzische koning zond een bekwame arts naar onze uiverkoren Profeet om hem zijn diensten aan te bieden. De man woonde een jaar onder de Arabieren, maar niemand kwam bij hem om raad of voor genezing. Hij ging zich beklagen bij de Profeet: ‘Ik ben hierheen gestuurd om uw metgezellen te behandelen, maar niemand heeft mij, uw dienaar, tot nu de kans geboden om de taak te vervullen waarvoor ik ben aangesteld.’ De Meester antwoordde: ‘Het is in deze gemeenschap de regel dat men pas gaa eten wanneer de honger te sterk wordt, en dat men het voedsel laat liggen op het moment dat men nog trek heeft.’ De arts zei: ‘Daarom zijn ze zo gezond!’ Hij kuste eerbiedig de grond en ging weg.
 
Een wijs man zal het woord niet nemen,
of een hap voedsel tot zich nemen,
tenzij zijn zwijgen onheil sticht
of vasten hem ten gronde richt.
Wijsheid alleen verlaat zijn mond;
zijn eten houdt hem steeds gezond.
 
 
 
In de levensbeschrijving van de Perzische koning Ardasjier, de zoon van Babak, wordt verteld dat hij aan een Arabische geneesheer vroeg hoeveel voedsel hij het beste per dag kon eten. De arts zei: ‘Een gewicht van honderd diram is genoeg.’ Op de vraag hoeveel kracht dat geeft, antwoordde hij: ‘Deze hoeveelheeid houdt u op de been. Wat daar bovenuit gaat, moet u zelf meedragen.’
 
Eten is om te leven en God niet te vergeten;
jij wilt alleen maar leven om veel te kunnen eten.
 
 
 
 
Twee derwisjen uit Chorasaan waren samen op reis gegaan. De een was zwak omdat hij alleen om de andere nacht een beetje voedsel tot zich nam. De adnere was sterk en at iedere dag drie keer. Het gebeurde dat ze bij de poort van een stad gevangen werden genomen op beschuldiging van spionage. Ze werden samen in een gebouw opgesloten waarvan de ingang met meem werd dichtgemaakt. Na twee weken kwam hun onschuld aan het licht en werd de deur weer opengebroken. Ze zagen dat de sterke dood was, maar de zwakke in leven was gebleven. Toen ze zich daarover verbaasd toonden merkte een wijs man op: ‘Dat is niet zo verwonderlijk. De een was een veelvraat die niet tegen gebrek kon en daardoor een ellendige dood is gestorven. De tweede had zichzelf in de hand. Door te volharden in zijn gewoonte kon hij zijn leven redden.’
 
Wie zich aan weinig eten heeft gewend,
kan zich wel redden in een hongersnood.
Maar wie in goede tijden ‘t lijf verwent,
zal niet ontkomen aan de hongerdood.
 
 
 
Een andere wijze verbood zijn zoon te veel eten omdat verzadiging iemand ziek maakt. De jongen zei: ‘Maar vader, hongr maakt de mens dood! Hebt u nooit gehoord wat levensgenieters beweren: voldaan sterven is beter dan hongerlijden.’ De vader gaf antwoord: ‘Je moet maat houden, want er staat geschreven: ‘Eet en drink, maar wees niet onmatig.’
 
Niet zoveel dat de mond het terug wil geven,
maar wel genoeg om niet de geest te geven.
 
Hoewel de ziel gedijt bij goede voeding,
veel schade lijdt zij door haar gulzigheid.
Rozenfondant doet kwaad als je veel snoept,
droog brood wordt snoepgoed als je hongerlijdt.
 
Een waar mens weet de overdaad te mijden,
een hond moet door zijn vraatzucht lijden.

September 8th, 2009

Hoor dit verhaal dat eens in Bagdad ging:

Daar voerden vlag en sluier een geding.
De vlag hield aan de sluier smalend voor:
‘Wat maakte ik niet op mijn reizen door?
Wij hebben wel dezelfde heer gemeen
En dienen in hetzelfde sultans heem,
Maar ik ben geen moment tot rust gekomen,
Op elke veldtocht werd ik meegenomen.
Jij hebt geen weet van vestigingen, gezwoeg,
Woestijnen, wind die stofwolken opjoeg.
De meeste stappen heeft mijn voet gedaan,
Toch sta jij op de ereplaats vooraan,
Bij jongens stralend als de maneschijn,
Naast slavenmeisjes geurend naar jasmijn.
Maar ik viel in de handen van de knechten;
Die houden mij vast tot ze weer gaan vechten.’

[De sluier:]
‘Ik heb het hoofd gebogen voor de poort;
Hemel bestormen vind ik ongehoord.
Wie onbezonnen is, zijn nek uitsteekt,
Maakt grote dat hij die breekt!’

Een verstandige man zag een worstelaar die in alle staten was: hij brieste van woede en het schuim stond op zijn mond. Hij vroeg: ‘Wat is er gebeurd met hem?’ – ‘Die-en-die heeft hem uitgescholden,’ werd er gezegd. Daarop zei hij: ‘Deze lummel weegt duizend man, maar een enkel woord kan hij niet verdragen!’

Steek niet je vuisten zo manhaftig uit de mouw;
wie eigen driften niet beheerst, is man noch vrouw.
Toon met je mond je vriendelijke aard;
wie anderen op de mond slaat is niets waard.

Zelfs als hij zich met olifanten meet,
hij die geen ridder is, is ook geen man.
De mens is ooit uit het stof voortgekomen;
weet dat hij in het stof mens worden kan.

Ik vroeg een groot mysticus naar de leefregel van de gelouterde. Hij zei: ‘Het minste is dat ze de wens van hun vrienden stellen boven het eigen belang. De wijzen hebben het zo uitgedrukt: een broeder die aan zichzelf is gehecht, is geen broeder en zelfs geen verwant.’

Een medereiziger met haast zal je niet begeleiden.
Beschouw niet als een goede vriend wie niet met je kan lijden.
Als het je bloed verwant ontbreekt aan oprecht godsvertrouwen,
verbreek liever de hechte band waarop je niet kan bouwen.

Ik herinner me dat mijn bewering in dit vers aldus bekritiseerd werd door een aanmatigend persoon: ‘God heeft Zijn Heilige Boek verboden de band van het bloed te verbreken. Hij heeft juist bevolen de naaste verwanten aanhankelijkheid te betonen. Jouw gedicht is daarmee in strijd.’ Ik zei: ‘Je hebt het mis. Het stemt overeen met wat de koran zegt: <maar als zij beiden [de ouders] u aansporen Mij iets toe te schrijven waarover u niets weet, gehoorzaam hen dan niet>’

Duizend verwanten, van God vervreemd:
volg liever één vreemde die niet is ontheemd.

In Bagdad huwde een man , naar verluidt,
zijn dochtertje aan een schoenmaker uit.
De vent was een bruut die het meisje beet
en haar lippen bloedend openreet.
De vader zag dit, de volgende dag,
en deed bij de schoonzoon zijn beklag:
‘Zeg, lummel, lap jij soms je tanden?’
Kreeg je geen ander leer onder handen?
Niet zomaar als grap vertel ik u dit,
maar omdat er ook wijsheid in zit:
het slechte dat is aangeleerd,
wordt bij de dood pas afgeleerd.

Een rechtsgeleerde had een erg lelijke dochter. Toen ze de huwbare leeftijd had bereikt wilde niemand met haar trouwen ondanks de rijke bruidsschat die ze meebracht.

Lelijk wordt het brokaat, de zijden stof:
het gezicht van de bruid is mij te grof.

Ten slotte werd ze noodgedwongen uitgehuwelijkt aan een blinde. Op dat moment was een arts uit Sarandieb aangekomen, die de blinden het gezichtsvermogen kon geven. Ze vroegen de rechtsgeleerde: ‘Waarom laat je, je schoonzoon niet behandelen zodat hij weer kan zien?’ Hij zei: ‘Ik ben bang dat hij, als hij kan zien, mijn dochter zal verstoten. De man van een lelijke vrouw kan het beste maar blind zijn.’

September 7th, 2009

Op een keer begon ze mij weer onhebbelijke verwijten te maken: ‘Jij bent het toch die mijn vader voor tien dinar heeft vrijgekocht van de Franken? Mijn antwoord was: ‘Jazeker, voor tien dinar heeft hij me de vrijheid gegeven en voor honderd dinar heeft hij mij door jou gevangen laten nemen.’

Een nobel man redde een schap het leven
Voordat het in een wolvenbek zou sneven,
Maar ’s avonds pakte hij zijn grote mes.
De schapenziel sprak deze wijze les:
‘Let op wie je uit de wolvenklauw verlost.
Het kan de wolf zijn die je ’t leven kost.’

Een koning vroeg eens aan een asceet hoe hij zijn gewijde uren doorbracht. De man zei: ‘De gehele nacht door bid ik tot God om verlossing, en als het ochtend wordt spreek ik een gebed uit voor mijn noden. Overdag ben ik bezig de kost te verdienen.’ De koning begreep wat de godvruchtige man hier wilde zeggen. Hij beval hem een toelage te geven voor zijn levensonderhoud  zodat hij zich geen zorgen meer hoeft te maken om vrouw en kinderen.

Ben je geketend aan de dagelijkse zorgen,
de kans op vrijheid blijft je verborgen.
Wat je voor kind en leeftocht uit moet geven,
houdt je steeds verre van mystiek beleven.
De hele dag neem je je heilig voor:
de nacht breng ik in Gods nabijheid door.
Dan wordt het nacht en kniel je voor je Heer.
Je denkt: waar vind ik morgen eten weer?

Een kluizenaar in Syrië leefde enige jaren in een bos en voedde zich met bladeren van bomen. Een naburige vorst bezocht hem als pelgrim en zei: ‘Als u het goed vindt, zal ik in de stad een plaats voor u inrichten waar u zich beter in alle rust aan vrome oefeningen kunt wijden. Anderen kunnen dan profiteren van uw zegenrijke uitstraling en een voorbeeld nemen aan uw heilzame daden.’ De asceet weigerde, maar de ministers drongen aan: ‘Alleen al om de koning ter wille te zijn zou het goed zijn als u een paar dagen naar de stad kwam om te weten hoe het daar is. U kunt dan altijd nog anders besluiten wanneer uw kostbare zuiverheid bezoedeld wordt door de omgang met de mensen.’ De kluizenaar ging naar de stad, waar een paviljoen omgeven door een park speciaal voor hem werd ingericht. Het was een heerlijk oord met een spirituele atmosfeer.

Als rode wangen bloeiden rozen daar,
de hyacint als lieflijk krullend haar.
Een klein kind zou het hier niet deren
als plots de nachtvorst terug mocht keren.

Rode granaatappels, van elk soort:
een vuur plant zich in groene bladeren voort.

De koning haastte zich een mooi slavinnetje naar hem toe te sturen:

Een stralendschone, die asceten gauw
bekoort, mooi als een engel, als een pauw.
Alleen al door die schoonheid aan te zien
komen vrome geloften in het nauw.

Vervolgens zond de koning nog een verblindend fraaie slaaf, zo sierlijk gebouwd dat de kracht van zijn verrukkelijke armen de gebalde vuist van een geloofsovertuiging kon breken. Geen held van de geest was hiertegen bestand:

Rondom hem stierven mensen van de dorst,
maar hij keek toe en heeft geen drop gemorst.
Als waterzuchtige, dicht bij de Eufraat,
Staarden ze onverzadigd naar zijn borst.

De asceet ging fijne hapjes eten en elegante kleren dragen. Hij deed zich te goed aan vruchten, reukwerk en zoetigheden, en liet het oog gaan over de schoonheid van de slaaf en het slavinnetje. Zoals de wijzen hebben gezegd: de krullen van de mooie mensen zijn ketenen aan de voeten van het verstand en lokvoer voor de spreeuwen.

Geloof, verstand, ik geef ze prijs als jij de inzet bent.
Slim was ik altijd als een spreeuw, maar nu ben jij mijn valstrik.

Het kwam erop neer dat er niets overbleef van de concentratie op mystieke ervaringen waarmee hij gezegend was geweest.
Het verging hem zoals het vers zegt:

Als ben je zeer geleerd, of hoor je tot de soefi’s,
of prijst men je alom voor je bezielde preken,
raak je een keer verdwaald in deze lage wereld,
als vliegen in de stroop blijven je voeten steken.

Op een keer wilde de koning hem bezoeken. Hij zag dat het heel anders gesteld was met de asceet: hij was blozend en pafferig geworden en lag in kostbare kleren tegen kussens van brokaat geleund, terwijl een engelachtige mooie slaag met een waaier van pauwenveren naast hem stond. Dit deed de koning veel genoegen. Ze praatten met elkaar over van alles en nog wat. Ten slotte zei de koning: ‘Twee soorten mensen in de wereld zijn mijn vrienden: de geleerden en de kluizenaars.’ Een filosofische minister, die veel van de wereld had gezien, was hierbij aanwezig. Hij merkte op: ‘Sire, de vriendschap verlangt dat u aan elk van hen een weldaad bewijst. Aan de  geleerden moet u goud geven opdat zij verder kunnen studeren, en aan de kluizenars moet u niets geven opdat ze kluizenaars blijven.’

Een vrouw wier schoonheid al geheel volmaakt is,
geeft een turkooizen ring haar nog meer sier?
Een derwisj vond de weg naar de verlichting;
voedsel en aalmoes geven past niet hier.

Mijn vroom gedrag staat elkeen tegen,
als ik meer wil dan wat ik heb gekregen.

Een dergelijk geval deed zich voor toen een vorst zich voor een belangrijk probleem zag gesteld. ‘Wanneer dit naar mijn wens wordt opgelost,’ zei hij, ‘zal ik de kluizenaars een groot geldbedrag schenken.’ Toen dit inderdaad gebeurde en hij van een grote zorg werd ontlast, moest zijn gelofte naar behoren worden ingelost. Hij gaf aan een betrouwbare dienaar een buidel met goudstukken om uit te geven ten behoeve van de kluizenaars. Nu moet dit een heel schrandere slaaf zijn geweest. Hij liep de hele dag rond en kwam tegen de avond terug. Hij kuste de goudstukken, legde ze voor de koning neer en zei: ‘Hoe ik ook heb gezocht, ik heb geen kluizenaars kunnen vinden.’ – ‘Wat vertel je me nu?’ zei de koning. ‘Voor zover ik weet zijn er wel vierhonderd kluizenaars in die koninkrijk.’ De slaaf antwoordde: ‘Heer van de wereld! Wie een kluizenaar is neemt het niet aan, en wie het aanneemt is geen kluizenaar.’ De koning moest lachen en zei tegen de hovelingen: ‘Zozeer als ik hen die zich aan God wijden vereer, zo weinig heeft deze slaaf me ze op en vertrouwt hij ze. Het gelijk is aan zijn kant.’ Geef niet aan hem die graag de hand ophoudt, zoek naar een vrome die wel vertrouwt.

Aan een wetgeleerde, die recht in de leer was, werd gevraagd wat hij dacht van iemand die leeft op kosten van een vrome stichting. Zijn antwoord was: ‘Indien hij het aanneemt om zijn gedachten vrij te maken, is het geoorloofd, maar als hij die dan op zijn levensonderhoud gaat richten, is het verboden.’

Zij die oprecht zijn, eten om te dienen;
niet dienen zij om het brood te verdienen.

Een derwisj kwam aan op het landgoed van een grootmoedig en wijs man die een aantal geleerde en welsprekende vrienden om zich heen had verzameld. Iedereen maakte geestige en gevatte opmerkingen, zoals dat  gebruikelijk is in elegant gezelschap. De derwisj had door de woestijn gereisd en was hongerig en uitgeput. Een van hen zei uitnodigend: ‘Zeg jij ook eens wat!’ Hij antwoordde: ‘Ik heb niet zoals de anderen gestudeerd en een goede opvoeding gehad. Ik heb niets gelezen en daarom moeten jullie genoegen nemen met één versregel.’ Enthousiast riepen ze allemaal: ‘Zeg op!’ Hij droeg voor:

‘Ik sta hongerig voor een goed gevuld blad,
als een vrijgezel voor een vrouwenblad.’

De vrienden lachten en waarderen zijn gevatheid. Ze lieten een dienblad brengen. De gastheer vroeg hem even te wachten omdat de bedienden het gehakt nog moesten braden. De derwisj hief glimlachend het hoofd op en zei:

‘Gebraden gehakt is voor mij overbodig;
gebraden ben ik, ik heb droog brood nodig.’

Een leerling vroeg aan zijn mystieke leraar: ‘Wat moet ik doen wanneer ik lat heb van mensen die mij voortdurend bezoeken en mijn geestelijke ervaringen verstoren met hun in-en-uit geloop? Hij antwoordde: ‘Aan de derwisjen moet je wat lenen en van de vermogende moet je iets vragen. Dan zul je ze niet meer terugzien.’

Stuur bedelaars uit voor het leger van de moslims:
van schrik vluchten de heidenen naar China.

Een wetgeleerde klaagde zijn nood bij zijn vader: ‘Al die kleurrijke, pakkende volzinnen van de theologen zeggen mij niets, omdat ik niet zie dat hun woorden bij hun daden passen.’

‘Verwerp de wereld!’ luidt hun fraaie leer,
maar graan en zilver krijgen zij steeds meer.
Geleerde heren die alleen maar praten,
op hun woord kan toch niemand zich verlaten?
De ware leraar houdt het kwade tegen,
spreekt er niet van, maar laat het achterwege.

Spoort u de mensen aan vroom te zijn maar vergeet u daarbij uzelf?

Knap, maar om lijf en goed bekommerd beide:
de dwalende, hoe kan hij iemand leiden?

De vader zei: ‘Mijn jongen, laat je toch niet door deze ene verkeerde gedachte afhouden van de lessen van je raadgevers. Je moet de geleerden niet als dwalenden beschouwen. Zo blijf je verstoken van waardevolle kennis omdat je op zoek bent naar een geleerde die boven alle zonden verheven is. Het is als met de blinde die op een nacht in de modder viel en uitriep: ‘Gelovigen, licht me bij met een lamp!’ Een geestige vrouw reageerde: ‘Je kunt de lamp niet eens zien, wat wil je dan met een lamp zien?’ Een bijeenkomst van prediker is zoiets als de kraam van een stoffenkoopman: daar is het zo dat die geen geld geeft, ook niets kan meenemen; hier geldt dat wie met een goede intentie komt, niet gesticht kan worden.’

Hoor de geleerden aan met heel je hart,
zorg dat je woord en daden niet verwart.
Het is niet waar wat weleens is gezegd:
een slaper wordt door slapers nooit gewekt.
Waar het om gaat is of het wordt gehoord,
al is het een in steen gebeiteld woord.

Een toegewijde man wilde studeren,
en sneed de banden met de soefi’s door.
Ik vroeg: ‘Wat onderscheidt toch de geleerden
dat je hen boven de mystici verkoor?’
- ‘Zij redden slechts hun bidmat uit de golven,
bij anderen gaan de drenkelingen voor.’

Langs de weg lag een dronken man die volledig onbekwaam was. Een passerende asceet bezag zijn walgelijke toestand. De dronken man hief zijn hoofd op en zei: ‘En die, wanneer zij zinloos gepraat tegenkomen, waardig daaraan voorbijgaan.’

Bedek de zondaar die je ziet; wees hem genadig.
Je acht mij weinig waard? Gedraag je waardig!

Keer je niet af, jij vrome, van de zondaar;
toon je begrip, wanneer je hem beziet.
Hoe onfatsoenlijk mijn gedrag ook is,
wees een fatsoenlijk mens, veroordeel niet.

Een troep vagebonden had het gemunt op een bepaalde derwisj. Ze scholden hem uit, sloegen hem en maakten hem het leven zuur. Uit onmacht ging hij klagen bij de leider van de orde over wat hem was overkomen. De leider zei: ‘Mijn zoon, de pij van derwisjen is het kleed van de lijdzaamheid. Wie dit kleed draagt, maar geen tegenspoed kan verdragen, heeft valse pretenties. De pij is voor hem verboden.’

De wijde oceaan maak je niet troebel met een steen;
een lichtgeraakte mysticus is niet meer dan een poel.

Blijf lijdzaam, wat je ook mag overkomen;
was al het boze af door mild te zijn.
Ten slotte eindigt alles in het stof;
word stof voordat je eeuwig stof zult zijn.

September 4th, 2009

Een algemeen geacht man kreeg eens zo’n last van winderigheid dat hij het niet meer kon inhouden. Hij moest het laten gaan. Tegen zijn vrienden zei hij: ‘Wat ik gedaan heb ging buiten mijn wil om. Het zal mij niet worden aangerekend en het heeft me rust gegeven. Daarom moeten jullie ook zo welwillend zijn het mij te vergeven.’

De buik is voor de wind een cel.

Wees wijs en slaak zijn boeien snel.

Hij is je ingewand tot last,

Houd hem dus niet onnodig vast.

Een zure vriend die je gaat tegenstaan,

Houd hem niet op als hij wil gaan.

Omdat ik genoeg had van mijn vrienden in Damascus, ging ik weg en trok ik de woestijn van Jeruzalem in, waar ik de omgang met de wilde dieren zocht. Na enige tijd viel ik in de handen van de Franken, die mij graafwerk lieten doen aan de stadsgracht van Tripoli, samen met een aantal Joden. Een notabele uit Aleppo, die ik van vroeger kende, liep langs en herkende mij. Hij vroeg hoe het zo met mij gelopen was. Ik zei:

‘Naar wild land trok ik, weg van alle mensen,

Want God alleen koos ik tot metgezel.

Zie hoe ver deze vlucht mij heeft gebracht:

Met onmensen verkeer ik in een cel.

Ach, ik zucht liever bij mijn vrienden in de boeien

Dan dat een vreemde mij zijn rozentuin laat snoeien.’

Hij was begaan met mijn lot, kocht mij voor tien dinar vrij van de Franken en nam me mee naar Aleppo. Daar gaf hij mij zijn dochter ten huwelijk, met een bruidsschat van honderd dinar. Nu bleek na een tijdje dat deze dochter humeurig, ruzieachtig en ongezeglijk was. Ze begon te kijven en mij het leven zuur te maken. Het was zoals men wel zegt:

In deze wereld is de hel aanwezig

Voor hem die met zo’n feeks in één huis woont.

Bespaar ons de bestraffing met het Vuur.

Bid dat je van die duivels blijft verschoond!

Op een keer begon ze mij weer onhebbelijke verwijten te maken: ‘Jij bent het toch die mijn vader voor tien dinar heeft vrijgekocht van de Franken? Mijn antwoord was: ‘Jazeker, voor tien dinar heeft hij me de vrijheid gegeven en voor honderd dinar heeft hij mij door jou gevangen laten nemen.’

Een nobel man redde een schap het leven

Voordat het in een wolvenbek zou sneven,

Maar ’s avonds pakte hij zijn grote mes.

De schapenziel sprak deze wijze les:

‘Let op wie je uit de wolvenklauw verlost.

Het kan de wolf zijn die je ’t leven kost.’

September 4th, 2009

Aboe Horaira had de gewoonte iedere dag zijn opwachting te maken bij Mostafa. Op een dag sprak deze: ‘Aboe Horaira, bezoek mij om de andere dag, dat verhoogt de genegenheid!’ Dit komt op hetzelfde neer als de opmerking die iemand maakte toen er werd beweerd dat geen mens ooit verliefd wordt op de zon, hoe mooi die ook schijnt: ‘Dat is omdat je hem elke dag kunt zien. Maar ’s winters, als hij versluierd is, dan wordt hij wel bemind!’

Ik heb tegen visites geen bezwaar,

Maar niet zo vaak dat het mij tegenstaat.

Wie zich terugtrekt, op de juiste tijd,

Vermijdt dat men hem op de vingers slaat.