Op een keer begon ze mij weer onhebbelijke verwijten te maken: ‘Jij bent het toch die mijn vader voor tien dinar heeft vrijgekocht van de Franken? Mijn antwoord was: ‘Jazeker, voor tien dinar heeft hij me de vrijheid gegeven en voor honderd dinar heeft hij mij door jou gevangen laten nemen.’
Een nobel man redde een schap het leven
Voordat het in een wolvenbek zou sneven,
Maar ’s avonds pakte hij zijn grote mes.
De schapenziel sprak deze wijze les:
‘Let op wie je uit de wolvenklauw verlost.
Het kan de wolf zijn die je ’t leven kost.’
Een koning vroeg eens aan een asceet hoe hij zijn gewijde uren doorbracht. De man zei: ‘De gehele nacht door bid ik tot God om verlossing, en als het ochtend wordt spreek ik een gebed uit voor mijn noden. Overdag ben ik bezig de kost te verdienen.’ De koning begreep wat de godvruchtige man hier wilde zeggen. Hij beval hem een toelage te geven voor zijn levensonderhoud zodat hij zich geen zorgen meer hoeft te maken om vrouw en kinderen.
Ben je geketend aan de dagelijkse zorgen,
de kans op vrijheid blijft je verborgen.
Wat je voor kind en leeftocht uit moet geven,
houdt je steeds verre van mystiek beleven.
De hele dag neem je je heilig voor:
de nacht breng ik in Gods nabijheid door.
Dan wordt het nacht en kniel je voor je Heer.
Je denkt: waar vind ik morgen eten weer?
Een kluizenaar in Syrië leefde enige jaren in een bos en voedde zich met bladeren van bomen. Een naburige vorst bezocht hem als pelgrim en zei: ‘Als u het goed vindt, zal ik in de stad een plaats voor u inrichten waar u zich beter in alle rust aan vrome oefeningen kunt wijden. Anderen kunnen dan profiteren van uw zegenrijke uitstraling en een voorbeeld nemen aan uw heilzame daden.’ De asceet weigerde, maar de ministers drongen aan: ‘Alleen al om de koning ter wille te zijn zou het goed zijn als u een paar dagen naar de stad kwam om te weten hoe het daar is. U kunt dan altijd nog anders besluiten wanneer uw kostbare zuiverheid bezoedeld wordt door de omgang met de mensen.’ De kluizenaar ging naar de stad, waar een paviljoen omgeven door een park speciaal voor hem werd ingericht. Het was een heerlijk oord met een spirituele atmosfeer.
Als rode wangen bloeiden rozen daar,
de hyacint als lieflijk krullend haar.
Een klein kind zou het hier niet deren
als plots de nachtvorst terug mocht keren.
Rode granaatappels, van elk soort:
een vuur plant zich in groene bladeren voort.
De koning haastte zich een mooi slavinnetje naar hem toe te sturen:
Een stralendschone, die asceten gauw
bekoort, mooi als een engel, als een pauw.
Alleen al door die schoonheid aan te zien
komen vrome geloften in het nauw.
Vervolgens zond de koning nog een verblindend fraaie slaaf, zo sierlijk gebouwd dat de kracht van zijn verrukkelijke armen de gebalde vuist van een geloofsovertuiging kon breken. Geen held van de geest was hiertegen bestand:
Rondom hem stierven mensen van de dorst,
maar hij keek toe en heeft geen drop gemorst.
Als waterzuchtige, dicht bij de Eufraat,
Staarden ze onverzadigd naar zijn borst.
De asceet ging fijne hapjes eten en elegante kleren dragen. Hij deed zich te goed aan vruchten, reukwerk en zoetigheden, en liet het oog gaan over de schoonheid van de slaaf en het slavinnetje. Zoals de wijzen hebben gezegd: de krullen van de mooie mensen zijn ketenen aan de voeten van het verstand en lokvoer voor de spreeuwen.
Geloof, verstand, ik geef ze prijs als jij de inzet bent.
Slim was ik altijd als een spreeuw, maar nu ben jij mijn valstrik.
Het kwam erop neer dat er niets overbleef van de concentratie op mystieke ervaringen waarmee hij gezegend was geweest.
Het verging hem zoals het vers zegt:
Als ben je zeer geleerd, of hoor je tot de soefi’s,
of prijst men je alom voor je bezielde preken,
raak je een keer verdwaald in deze lage wereld,
als vliegen in de stroop blijven je voeten steken.
Op een keer wilde de koning hem bezoeken. Hij zag dat het heel anders gesteld was met de asceet: hij was blozend en pafferig geworden en lag in kostbare kleren tegen kussens van brokaat geleund, terwijl een engelachtige mooie slaag met een waaier van pauwenveren naast hem stond. Dit deed de koning veel genoegen. Ze praatten met elkaar over van alles en nog wat. Ten slotte zei de koning: ‘Twee soorten mensen in de wereld zijn mijn vrienden: de geleerden en de kluizenaars.’ Een filosofische minister, die veel van de wereld had gezien, was hierbij aanwezig. Hij merkte op: ‘Sire, de vriendschap verlangt dat u aan elk van hen een weldaad bewijst. Aan de geleerden moet u goud geven opdat zij verder kunnen studeren, en aan de kluizenars moet u niets geven opdat ze kluizenaars blijven.’
Een vrouw wier schoonheid al geheel volmaakt is,
geeft een turkooizen ring haar nog meer sier?
Een derwisj vond de weg naar de verlichting;
voedsel en aalmoes geven past niet hier.
Mijn vroom gedrag staat elkeen tegen,
als ik meer wil dan wat ik heb gekregen.
Een dergelijk geval deed zich voor toen een vorst zich voor een belangrijk probleem zag gesteld. ‘Wanneer dit naar mijn wens wordt opgelost,’ zei hij, ‘zal ik de kluizenaars een groot geldbedrag schenken.’ Toen dit inderdaad gebeurde en hij van een grote zorg werd ontlast, moest zijn gelofte naar behoren worden ingelost. Hij gaf aan een betrouwbare dienaar een buidel met goudstukken om uit te geven ten behoeve van de kluizenaars. Nu moet dit een heel schrandere slaaf zijn geweest. Hij liep de hele dag rond en kwam tegen de avond terug. Hij kuste de goudstukken, legde ze voor de koning neer en zei: ‘Hoe ik ook heb gezocht, ik heb geen kluizenaars kunnen vinden.’ – ‘Wat vertel je me nu?’ zei de koning. ‘Voor zover ik weet zijn er wel vierhonderd kluizenaars in die koninkrijk.’ De slaaf antwoordde: ‘Heer van de wereld! Wie een kluizenaar is neemt het niet aan, en wie het aanneemt is geen kluizenaar.’ De koning moest lachen en zei tegen de hovelingen: ‘Zozeer als ik hen die zich aan God wijden vereer, zo weinig heeft deze slaaf me ze op en vertrouwt hij ze. Het gelijk is aan zijn kant.’ Geef niet aan hem die graag de hand ophoudt, zoek naar een vrome die wel vertrouwt.
Aan een wetgeleerde, die recht in de leer was, werd gevraagd wat hij dacht van iemand die leeft op kosten van een vrome stichting. Zijn antwoord was: ‘Indien hij het aanneemt om zijn gedachten vrij te maken, is het geoorloofd, maar als hij die dan op zijn levensonderhoud gaat richten, is het verboden.’
Zij die oprecht zijn, eten om te dienen;
niet dienen zij om het brood te verdienen.
Een derwisj kwam aan op het landgoed van een grootmoedig en wijs man die een aantal geleerde en welsprekende vrienden om zich heen had verzameld. Iedereen maakte geestige en gevatte opmerkingen, zoals dat gebruikelijk is in elegant gezelschap. De derwisj had door de woestijn gereisd en was hongerig en uitgeput. Een van hen zei uitnodigend: ‘Zeg jij ook eens wat!’ Hij antwoordde: ‘Ik heb niet zoals de anderen gestudeerd en een goede opvoeding gehad. Ik heb niets gelezen en daarom moeten jullie genoegen nemen met één versregel.’ Enthousiast riepen ze allemaal: ‘Zeg op!’ Hij droeg voor:
‘Ik sta hongerig voor een goed gevuld blad,
als een vrijgezel voor een vrouwenblad.’
De vrienden lachten en waarderen zijn gevatheid. Ze lieten een dienblad brengen. De gastheer vroeg hem even te wachten omdat de bedienden het gehakt nog moesten braden. De derwisj hief glimlachend het hoofd op en zei:
‘Gebraden gehakt is voor mij overbodig;
gebraden ben ik, ik heb droog brood nodig.’
Een leerling vroeg aan zijn mystieke leraar: ‘Wat moet ik doen wanneer ik lat heb van mensen die mij voortdurend bezoeken en mijn geestelijke ervaringen verstoren met hun in-en-uit geloop? Hij antwoordde: ‘Aan de derwisjen moet je wat lenen en van de vermogende moet je iets vragen. Dan zul je ze niet meer terugzien.’
Stuur bedelaars uit voor het leger van de moslims:
van schrik vluchten de heidenen naar China.
Een wetgeleerde klaagde zijn nood bij zijn vader: ‘Al die kleurrijke, pakkende volzinnen van de theologen zeggen mij niets, omdat ik niet zie dat hun woorden bij hun daden passen.’
‘Verwerp de wereld!’ luidt hun fraaie leer,
maar graan en zilver krijgen zij steeds meer.
Geleerde heren die alleen maar praten,
op hun woord kan toch niemand zich verlaten?
De ware leraar houdt het kwade tegen,
spreekt er niet van, maar laat het achterwege.
Spoort u de mensen aan vroom te zijn maar vergeet u daarbij uzelf?
Knap, maar om lijf en goed bekommerd beide:
de dwalende, hoe kan hij iemand leiden?
De vader zei: ‘Mijn jongen, laat je toch niet door deze ene verkeerde gedachte afhouden van de lessen van je raadgevers. Je moet de geleerden niet als dwalenden beschouwen. Zo blijf je verstoken van waardevolle kennis omdat je op zoek bent naar een geleerde die boven alle zonden verheven is. Het is als met de blinde die op een nacht in de modder viel en uitriep: ‘Gelovigen, licht me bij met een lamp!’ Een geestige vrouw reageerde: ‘Je kunt de lamp niet eens zien, wat wil je dan met een lamp zien?’ Een bijeenkomst van prediker is zoiets als de kraam van een stoffenkoopman: daar is het zo dat die geen geld geeft, ook niets kan meenemen; hier geldt dat wie met een goede intentie komt, niet gesticht kan worden.’
Hoor de geleerden aan met heel je hart,
zorg dat je woord en daden niet verwart.
Het is niet waar wat weleens is gezegd:
een slaper wordt door slapers nooit gewekt.
Waar het om gaat is of het wordt gehoord,
al is het een in steen gebeiteld woord.
Een toegewijde man wilde studeren,
en sneed de banden met de soefi’s door.
Ik vroeg: ‘Wat onderscheidt toch de geleerden
dat je hen boven de mystici verkoor?’
- ‘Zij redden slechts hun bidmat uit de golven,
bij anderen gaan de drenkelingen voor.’
Langs de weg lag een dronken man die volledig onbekwaam was. Een passerende asceet bezag zijn walgelijke toestand. De dronken man hief zijn hoofd op en zei: ‘En die, wanneer zij zinloos gepraat tegenkomen, waardig daaraan voorbijgaan.’
Bedek de zondaar die je ziet; wees hem genadig.
Je acht mij weinig waard? Gedraag je waardig!
Keer je niet af, jij vrome, van de zondaar;
toon je begrip, wanneer je hem beziet.
Hoe onfatsoenlijk mijn gedrag ook is,
wees een fatsoenlijk mens, veroordeel niet.
Een troep vagebonden had het gemunt op een bepaalde derwisj. Ze scholden hem uit, sloegen hem en maakten hem het leven zuur. Uit onmacht ging hij klagen bij de leider van de orde over wat hem was overkomen. De leider zei: ‘Mijn zoon, de pij van derwisjen is het kleed van de lijdzaamheid. Wie dit kleed draagt, maar geen tegenspoed kan verdragen, heeft valse pretenties. De pij is voor hem verboden.’
De wijde oceaan maak je niet troebel met een steen;
een lichtgeraakte mysticus is niet meer dan een poel.
Blijf lijdzaam, wat je ook mag overkomen;
was al het boze af door mild te zijn.
Ten slotte eindigt alles in het stof;
word stof voordat je eeuwig stof zult zijn.